Een maand geleden gaf ik een lezing op Women’s Day voor vrouwelijke werknemers van ABN in Amsterdam. Twee sessies van elk 350 vrouwen. En eerlijk is eerlijk: er zijn momenten in je professionele leven die je bijblijven. Dit was er zo één. Niet alleen vanwege de energie in de zaal, maar ook omdat er veel herkenning was toen ik sprak over iets wat in de medische wereld steeds urgenter wordt: het fundamentele verschil in hoe vrouwen en mannen ziek worden, ziek zijn – en hoe verschillend daarop wordt gereageerd.
Vrouwen zijn geen kleine mannen
Decennialang is de geneeskunde grotendeels gebaseerd op onderzoek dat is gedaan bij mannelijke proefpersonen. Vrouwen werden lange tijd uitgesloten van klinische studies vanwege hormonale schommelingen die ‘storende variabelen’ zouden zijn. Het gevolg? Een standaard patiënt die in feite een gezonde man van middelbare leeftijd is. Maar vrouwen zijn geen kleine mannen.
Burn-out of overgang?
Recent nog zag ik een vrouw van 55 op mijn polikliniek. Ze was gediagnosticeerd met een burn-out. Geen spanningen in de relatie, een leuke baan, goede band met haar kinderen, geen eerdere klachten van stress. Maar ze was wel net in de overgang gekomen. De huisarts had daar geen rekening mee gehouden. Terwijl de hormonale veranderingen tijdens de menopauze óók kunnen leiden tot prikkelbaarheid, concentratieproblemen, slapeloosheid, angstgevoelens – symptomen die sterk lijken op die van een burn-out. En dat is niet alleen een diagnostisch probleem: het is ook een behandelingsprobleem.
Hartklachten bij vrouwen: andere signalen, andere risico’s
Een ander voorbeeld: hartklachten. Lange tijd werd aangenomen dat de klassieke symptomen van een hartinfarct – drukkende pijn op de borst, uitstralend naar de linkerarm – universeel zijn. Inmiddels weten we dat vrouwen vaker atypische klachten hebben: misselijkheid, kortademigheid, extreme vermoeidheid. Klachten die soms worden weggezet als ‘stress’ of ‘psychisch’. Hierdoor wordt bij vrouwen vaker een hartinfarct gemist – en zijn hun overlevingskansen slechter.
Emotionele verschillen: de rol van hormonen
Collega-neurowetenschapper Jaak Panksepp beschreef in zijn werk iets dat diep resoneert met wat ik in de praktijk zie: mannen en vrouwen verschillen niet alleen hormonaal en fysiologisch, maar ook emotioneel. Volgens Panksepp blokkeert testosteron de toegang tot de diepste lagen van het emotionele brein. Hij noemde de band tussen moeder en kind zelfs het krachtigste emotionele anker dat we kennen in de zoogdierenwereld.
Dat betekent niet dat mannen geen diepgang hebben – wel dat hun emotionele verwerking anders werkt. Vrouwen rapporteren vaker gevoelens van empathie, verbondenheid en emotionele nuance. En dat heeft óók invloed op hoe zij ziek worden, hoe zij zorg zoeken, en hoe zij reageren op behandelingen.
Naar een gender-sensitieve geneeskunde
We staan aan het begin van een noodzakelijke revolutie in de geneeskunde: die van de gender-sensitieve zorg. Dat betekent méér dan alleen kennis van hormonen en chromosomen. Het vraagt om een brede blik op lichamelijke én emotionele gezondheid, op maatschappelijke rolpatronen, op psychologische belasting – en op hoe al deze factoren bij vrouwen vaak anders samenkomen dan bij mannen.
Conclusie
Gezondheid is geen neutraal gegeven. Het is tijd dat we daar in de spreekkamer, de onderzoekslaboratoria én het onderwijs fundamenteel rekening mee houden. Alleen dan kunnen we zorg bieden die écht past – bij mannen én bij vrouwen.
Voetnoten en bronnen (optioneel aan te vullen voor publicatie):
- Panksepp, J. (2005). “Affective neuroscience: The foundations of human and animal emotions.”
- Regitz-Zagrosek, V. (2012). “Sex and gender differences in health. Science & Society Series on Sex and Science.” EMBO Reports.
- Maas, A. H., & Appelman, Y. E. (2010). “Gender differences in coronary heart disease.” Netherlands Heart Journal.
Met vriendelijke groet,
Dr. Erik Matser, klinisch neuropsycholoog